Op de Vu heb ik les gehad
van prof. Dr G.J. van Ingen Schenau. Helaas is de goede
man overleden, maar hij heeft een hoop goede dingen
achtergelaten. Zijn bekendste ontdekking is de klapschaats
geweest(1980). Iets minder bekend is de werking van
de bi-articulaire spier en de afstemming en timing ervan
in de strekketen. In die tijd was het voor mij maar
vrij droge stof en vroeg ik me daadwerkelijk af wat
ik er mee kon. Ik zag wel dat er wetmatigheden waren
waar je als sporter niet onderuit kwam, maar had toen
niet het idee dat dit ook wel eens bij mij en anderen
zo zou kunnen werken (jong en onbezonnen is vaak geen
voordeel). De vraag die mij wel steeds meer bezig ging
houden was. Hoe heeft de biomechanica nu invloed op
de bewegingsefficiency van het lopen? Op deze vraag
probeer ik gedeeltelijk een antwoord te geven met dit
stuk.
De wet van een slinger.
De snelheid van een slinger is afhankelijk van de lengte
van het draad waar de slinger aan hangt. Het gewicht
onderin bepaald niet de snelheid van de slinger. Dus
wanneer je de slinger sneller wilt laten bewegen moet
je de draad korter maken. Je kan het vergelijken met
een oude klok die bij je grootouders staat. Wanneer
je de slinger sneller wilt laten bewegen hang je het
gewicht iets hoger. Je hangt er geen ander gewicht in.
Met hardlopen werkt het principe ongeveer hetzelfde.
Je armen en benen zijn slingers. Alle slingers werken
voor een groot deel met elkaar samen. Wanneer je de
slingers korter maakt zullen ze sneller bewegen. De
slingers korter maken kan je doen door de armen en benen
te buigen. De meest effectieve manier is door ze net
volledig te buigen want dan verlies je spierfunctie.
Wanneer je de armen en benen buigt rond de 90 graden
heb je de slinger het meest effectief verkort.
De kortere slingers zorgen voor een hoger bewegingstempo
welke weer een gunstig effect hebben op de loopefficiency.
Je kan zelf de proef op de som nemen. Zwaai eerst je
benen gestrekt en probeer het daarna gebogen. Doe dit
ook met je armen en merk bij beide op dat het gestrekt
bewegen veel meer energie kost dan de gebogen zwaai.
De zwaartekracht kan je helpen
De zwaartekracht zorgt ervoor dat een voorwerp naar
beneden valt. Wanneer je het lichaam laat vallen zal
het ter aarde storten. Het energieverbruik is direct
verbonden met hoeveel een lichaam omhoog of omlaag beweegt.
Wanneer we een steen naar voren zouden gooien zal hij
in eerste instantie vlak blijven maar naarmate de snelheid
minder wordt zal de teen gaan dalen. Da doet hij net
zolang totdat de voorwaartse verplaatsing nul is en
de steen de grond heeft geraakt.
Wat je met hardlopen doet is dus het tegengaan van het
lichaam naar de grond door de snelheid constant te onderhouden
met een afzetvector van het been. Beide benen zorgen
er alternerend voor dat je lichaam niet naar beneden
gaat. Het steunmoment onder het lichaam zorgt ervoor
dat het geen stabiel evenwicht is. Door de afzetvector
van het been en het steunen onder het lichaam heeft
het lichaam de neiging om met de zwaartekracht mee te
bewegen, maar doordat er een constante propulsie is
(onderhouden van de snelheid bij gelijk tempo) zorgen
je benen ervoor dat je lichaam voort blijft bewegen
met de rest van je lichaamsdelen.
Als voorbeeld voor jezelf kan je het volgende doen.
Ga rechtop staan en laat jezelf voorover vallen. Bij
deze beweging heb je een klein beetje voorwaartse snelheid,
maar de zwaartekracht is groter. Doe deze oefening nu
nog een keer maar zet tijdens het vallen twee stappen
voorwaarts. Je merkt dat je jezelf tegenhoud en voorwaarts
verplaatst.
Pasfrequentie
Vaak besproken fenomeen is de pasfrequentie. Moet je
nu een lage pasfrequentie hebben of juist een hoge pasfrequentie.
Laten we beginnen bij een lage pasfrequentie. Dat betekent
grote stappen met een grote paslengte. In bijna ieders
geval zorgt dit ervoor dat je voor je lichaam land en
vervolgens jezelf gaat afzetten. Wat je eigenlijk doet
is jezelf eerst remmen en daarna weer zo veel mogelijk
energie erin steken om het lichaam de juiste snelheid
mee te geven zoals je die voorheen liep. Bij een hogere
pasfrequentie zorg je ervoor dat je meer met je benen
onder je lichaam aan het landen bent. Je hoeft niet
ver te reiken om je been op de juiste plek neer te zetten.
Zeker bij het opstarten van je loopsnelheid is een hoge
pasfrequentie zeer aan te raden. Je lichaam heeft nog
geen voorwaartse snelheid maar je wil deze wel gaan
ontwikkelen. Als je dan onder je lichaam land kan je
direct afzetten in plaats van eerst je lichaam op te
vangen (tegengaan van de zwaartekracht).. Hetzelfde
geldt bergopwaarts rennen. Met een lage pasfrequentie
kost dit veel meer moeite dan met een hoge pasfrequentie.
Vreemd genoeg is het wel zo dat de ideale pasfrequentie
er niet is. In de zin van 100 is ideaal voor iedereen.
Wat wel bekend is dat 50-60 een lage pasfrequentie is
en 80-100 een hoge pasfrequentie is. Je kan zelf tellen
tijdens een minuut wat jou pasfrequentie is. Wat ook
een goede oefening is om beide extremen uit te voeren.
Je merkt dan vanzelf dat een lage pasfrequentie inefficiënt
is en een hogere pasfrequentie efficiënter is.
Resultante is nul.
In het lichaam werken alle lichaamsdelen samen tot een
geheel. Alle delen van het lichaam doen een beetje werkt
zodat een ander deel niet meer hoeft te doen. Wanneer
je al deze lichaamsdelen als een vector beschouwd kan
je ook bedenken wanneer alles goed samenwerkt de resultante
van de som van de krachten nul is in de tegenwerkende
richting. De enige vector die er over blijft is de vector
tegengesteld aan de snelheidsrichting.
Dit betekent wanneer je te weinig armzwaai zou hebben
aan een kant dit de balans verstoord en er een zijwaartse
vector ontstaat. Deze zijwaartse vector moet dan weer
gecompenseerd worden door een tegenwerkende kracht.
Meestal gebeurd dit door een rotatie in de romp met
behulp van de buikspieren. Een heel mooi voorbeeld is
dat wanneer een atleet geen armzwaai heeft dit behoorlijk
gecompenseerd wordt in een torsiebeweging van de romp
en aangeien de romp dichterbij het eigenlijke punt van
de snelheidsopbouw ligt betekent dat ook dat je rompspieren
veel meer kracht nodig hebben om de beweging te compenseren
dan dat de armen in eerste instantie nodig hebben om
de romp stil te houden. Hetzelfde geldt ook voor een
veranderde romphouding. Te veel ineengedoken rompen
of een overstrekte romp zorgt alleen maar voor extra
statisch krachtverlies welke niet bijdraagt aan een
vergroting van de snelheid of een efficiëntere
loophouding.
Probeer na een warming up eens voor jezelf na te gaan
of jij alle bewegingen efficiënt maakt. Zwaaien
je armen wel genoeg heb je een symmetrisch pasverloop.
Til jij beide knieën even hoog op. Is je rug te
hol. Videobeelden van jezelf willen heel goed helpen
om te zien en te voelen of je wel efficiënt genoeg
loopt. Om een efficiënte loper te worden heb je
alle lichaamsdelen nodig die allen een hun merk goed
doen met een minimale inzet.
Je hoeft niet stelling van Euler goed te kunnen hanteren
om te begrijpen dat het krachtenspel bij het hardlopen
een belangrijk onderdeel is, van het efficiënt
gaan lopen. Ik hoop dat iedereen met deze simpele biomechanica
een hoop efficiency in hun lopen kunnen krijgen.
|