Bij het stoppen van de jeugd kan aan allerlei redenen gedacht worden. Redenen zoals; te veel trainen, het moest van mijn vader, triatlon is uit, het is te duur etc. Dit zijn allemaal oorzaken waardoor jeugd zou kunnen gaan stoppen of al gestopt is. In dit artikel wordt de reden vooral uit de theorie van de motivatiepsychologie gehaald. Wat niet wil zeggen dat er geen andere redenen kunnen zijn waardoor jeugd zou kunnen stoppen.
De motivatie psychologie geeft een inzicht in de redenen waarom jeugd zou kunnen stoppen met triatlon. Er worden binnen de motivatie psychologie twee visies aangegeven; een optimistische visie en een pessimistische visie (of dit ook optimistisch en pessimistisch is laat ik aan u over). De optimistische stroming geeft aan dat het stoppen met een sport (triatlon) simpelweg behoort tot het TRAILAND-ERROR proces van jeugdigen. Dit betekent dat jeugdigen waarschijnlijk een sport uitproberen net zoals ze een nieuwe jas kopen. Ze passen en kijken net zo lang totdat ze de juiste jas gevonden hebben. De vraag is; Waarom past de jas van Triatlon niet bij de jeugdige triatleten ? Tegenover de optimistische visie staat een zogenaamde pessimistische visie die beweert dat de reden van afhaken van jeugdigen gezocht moeten worden in het behaalde resultaat in de sport, hiermee wordt bedoeld dat als het resultaat niet naar wens van de jeugdige atleet is dat hij iets anders zal gaan proberen.
De optimistische visie.
Tijdens de pubertijd is een kind blootgesteld aan allerlei verleidingen; brommers, disco's, drank etc. Sport is ook een van deze verleidingen. Het kind is in deze tijd op zoek naar zijn identiteit (het vormen van een eigen persoonlijkheid). Om deze identiteit te vormen gaat de jeugd op verkenning uit. Ze proberen veel dingen uit en kiezen de activiteiten waar zij het meeste plezier aan beleven. Er kunnen conflicten kunnen ontstaan tussen de verschillende gedachten van een puber over welke activiteiten het meeste tijd moeten krijgen. Jeugdigen zullen wellicht afhaken, omdat ze meer tijd aan andere zaken willen besteden, die meer plezier opleveren dan triatlon (plezier in de ruime zin van het woord).
Pessimistische visie.
De pessimistische visie beweert dat het stoppen met een sport (triatlon) verbonden is met het niet halen van een bepaalde doelstelling die gesteld was door een jeugdig atleet. Bijvoorbeeld: Theodoor had zich als doel gesteld om op 16-jarige leeftijd wereldkampioen bij de senioren te worden. Theodoor haalde dit niet, hij werd namelijk derde. Het doel van Theodoor is niet bereikt, hij voelde zich niet geschikt (competent) genoeg voor de triatlonsport en gaat vervolgens tennissen.
Natuurlijk had Theodoor een veel te hoge eis aan zichzelf gesteld, waardoor hij zijn doelstelling niet kon halen. De manier van toeschrijven van prestaties is vastgelegd in een model, dit is het model van de “ perceived ability “ ( waarneembare mogelijkheden, letterlijk vertaald). In dit model speelt het verstand een belangrijke rol bij de denkwijze een jeugdig atleet. De motivatie voor een sport zoals triatlon is afhankelijk van de manier van toeschrijven van prestaties en de subjectieve doelstelling van een jeugdatleet. Het uiteindelijke doel (volgens dit model) is om hoge “ Perceived Ability “ te bereiken en lage “ Perceived Ability “ te vermijden (wat dit precies betekent wordt hieronder beschreven). De tweesplitsing tussen hoge perceived ability en lage perceived ability word als verklaring gegeven voor het afhaken van jeugdatleten. Succes en Falen in het verleden beïnvloeden de denkwijze de jeugdatleet. Op basis van dat succes en falen in het verleden, zal de jeugdatleet zijn verwachtingspatroon, taak keuze, doorzettingsvermogen en inzet bepalen voor de toekomst in de triatlonsport.
Hoge perceived ability jeugdatleten.
Jonge atleten die volgens het hoge perceived ability model denken en handelen hebben een positieve kijk op hun eigen prestatie. Zij schrijven positieve prestaties (het halen van een doelstelling) toe aan het eigen kunnen, terwijl ze slechte prestaties (niet halen van een doelstelling) toeschrijven aan factoren waar zij zelf niks aan kunnen doen. De factoren die door de jeugdatleet zelf beïnvloedbaar zijn worden interne factoren genoemd. De factoren, die zij zelf niet kunnen beïnvloeden, worden externe factoren genoemd.
Voorbeelden van interne factoren zijn: eigen inzet, vermoeidheid van de jeugdatleet, vorm van de dag, aanleg, capaciteiten, weinig zin, veel zin etc. Al deze factoren worden beïnvloed door het eigen lichaam.
Voorbeelden van externe factoren zijn: Sterkte van de tegenstander, moeilijkheid van de taak die ze moeten uitvoeren, plaats van het evenement, het weer, de coach, publiek ect. Deze factoren liggen buiten het eigen lichaam en zijn slecht beïnvloedbaar.
Door het positief toeschrijven van succes aan het eigen kunnen en falen aan slecht beïnvloedbare factoren zorgt de jeugdatleet ervoor dat de verwachtingen voor de toekomst positief blijven. Deze manier van toeschrijven van prestaties is nodig om deelname, inzet en doorzettingsvermogen voor de toekomst te waarborgen.
Lage perceived ability jeugdatleten.
Jeugdatleten die volgens dit model denken en handelen doen het tegengestelde aan de hoge perceived ability atleten. Zij schrijven negatieve prestaties (het niet halen van een doelstelling) toe aan het eigen kunnen (interne factoren), terwijl ze goede prestaties (het halen van een doelstelling) toeschrijven aan factoren waar zij zelf niks aan kunnen doen (externe factoren). Je kan stellen dat jeugdatleten die volgens dit model denken en handelen zichzelf de grond in boren door telkens hun eigen prestatie af te kraken. Ze zorgen voor een zeer pessimistisch vooruitzicht voor hun eigen sportieve carrière. Zij zien weinig bevrediging in hun eigen prestaties en zullen weinig bevrediging voor de toekomst voorspellen. Telkens zullen ze proberen hun eigen prestaties naar beneden te halen. Wanneer zij een taak mogen kiezen zal deze veel te moeilijk of veel te makkelijk zijn om hun falen te bevestigen. Redenaties zoals “ Ik kan nooit beter worden” of “ mijn tegenstander was 5 jaar jonger “ behoren tot de uitspraken van een atleet met een lage perceived ability.
Afhankelijk van de subjectieve doelstellingen, die gemaakt zijn door de jeugdatleet, zullen de prestaties toegeschreven worden op basis van het bovengenoemde model. De jeugdatleet is in staat om zichzelf te maken en te breken zonder dat hij hier daadwerkelijk een objectieve reden voor heeft. Ik denk dat het plezier van een jeugdatleet nauw verbonden is met succes of falen. Belangrijk is dus om te zorgen dat een jeugdatleet volgens het hoge perceived ability model denkt en handelt en niet volgens het lage perceived ability model. Om de modellen overzichtelijk weer te geven staat hieronder een tabel met het model nog een keer uitgewerkt.
Tabel 1: overzicht van het perceived ability model.
|
lage perceived ability
jeugdatleten. |
hoge perceived ability
jeugdatleten. |
succes |
externe factoren hoog.
interne factoren laag. |
interne factoren hoog.
externe factoren laag. |
falen |
interne factoren hoog.
externe factoren laag. |
externe factoren hoog.
interne factoren laag. |
Adviezen om stoppen van jeugd te voorkomen.
Veel jeugdatleten stoppen, omdat ze te weinig succes hebben volgens hun eigen maatstaven of omdat ze denken en handelen volgens lage perceived ability atleten. De jeugdatleten ervaren zo een laag eigen vaardigheidsniveau, wat kan leiden tot een mindere ontwikkeling van de eigen identiteit, welke zo belangrijk is in de periode van een jeugdsporter. Jeugdigen moeten begeleid worden op een manier waarbij zij gewezen worden op het persoonlijk succes dat zij behaalt hebben. Wanneer er geen persoonlijk succes is behaald wordt het van belang om te kijken of de reden van het niet halen van dit persoonlijk succes misschien gelegen is in externe factoren.
Jeugdatleten moeten leren om naar hun eigen prestatie te kijken in plaats van het winnen of verliezen van een wedstrijd. Een vergelijking van de eigen prestatie in een wedstrijd ten opzicht van vorig jaar is veel betrouwbaarder dan vorig jaar de wedstrijd winnen en nu maar vijfde.
Om het persoonlijke succes te vergroten kan wellicht gedacht worden aan een verandering van regels of een verandering van de omgevingsfactoren (de taak van de bond). De coach heeft een functie die nog veel belangrijker is. De coach zorgt ervoor dat de jeugdatleet zijn eigen sportieve ervaring als een succes gaat ervaren en kan er op deze manier voor zorgen dat een jeugdig atleet niet stopt.
Taak van de bond.
De N.T.B is al een geruime tijd bezig om veel voor de jeugd te doen. Jeugddagen om een goede jeugdafdeling op te zetten zijn al lang geen uitzondering meer. Echter het trainen van de jeugdcoach in het vormen van een positieve attitude bij de jeugdatleet is nog niet opgezet. De inhoud van een cursus zal wellicht kunnen inhouden om de coaches en trainers op te leiden positief denkers. De coach zal moeten leren om aan jeugdatleten en ouders duidelijk te maken, dat het in de jeugdsport om “plezier” gaat en niet “het winnen ten kosten van alles” .
Een aanpassing binnen de jeugdsport zou kunnen zijn, het aanpassen van de afstanden voor de jeugd. Vaak wordt te snel op een jonge leeftijd volgens de regels van de volwassene gesport, terwijl er te weinig naar de ontwikkeling van de jeugdatleet wordt gekeken. In triatlon zou dit kunnen betekenen dat de afstanden voor de jeugd gereduceerd worden naar 100 meter zwemmen, 5 kilometer fietsen en 1,5 kilometer lopen. Deze afstand heeft velen voordelen, maar die laat ik nu achterwege.
Veranderingen als bijvoorbeeld; Tot 16 jaar met vast verzet op de fiets rijden zou een uitstekende zijn, het lopen van een triatlon wedstrijd op de atletiekbaan houden, een vast parcours en programma voor de jeugd aanbieden. Dit zijn een aantal maatregelen die bij de bond getroffen kunnen worden waardoor wellicht er minder jeugd zal stoppen met triatlon.
Taak van de coach.
De coach moet het belang gaan inzien van “ het waardig voelen van een jeugdatleet “. Competitie heeft de structuur van de winnaar krijgt alles en de verliezer krijgt niks. Er kan er altijd maar een winnen, wat betekent dat er veel meer verliezers zijn. De coach moet er zijn om aan te geven dat winnen niet alles is. Succes moet niet afhankelijk zijn van winnen of verliezen, maar eerder van het halen van een persoonlijk gesteld doel. Voordelen van deze benadering kunnen zijn:
I De jeugdatleet hoeft zich minder druk te maken over falen.
II Er wordt door de jeugdatleet een optimale inspanning geleverd.
III De jeugdatleet is betrokken bij zijn eigen doelstelling.
Het doel wat gezet is zal niet gezien moeten worden als een einddoel maar als een tussendoel, op het pad naar het hoogst haalbare voor die individuele jeugdatleet, waarbij er uitgegaan wordt van de mogelijkheden van de jeugdatleet in kwestie. Het telkens bereiken van een nieuw doel betekent dan een nieuwe stap richting het hoogst haalbare voor die jeugdatleet. De coach of trainer zorgt ervoor dat er persoonlijke, concrete, moeilijke doch haalbare doelen gesteld worden. Misschien kan de coach wel een beloning geven voor het halen van een doel die aan de criteria voldoen.
Het maken van correcties door de coach levert vaak problemen op. Het is de taak van de coach om negatieve opmerkingen zo weinig mogelijk te maken en eerder een correctie in positieve zin te geven. Met andere woorden ; zeg liever “ je hebt het bijna, nog even oefenen “ dan “ het gaat slecht, je gaat te langzaam “. Geef bij een correctie in positieve zin een visuele feedback, verbale feedback is voor jeugdleden veel minder informatief. Jeugdatleten handelen volgens het principe “ monkey see, monkey do”.
Laat jeugdleden inspraak hebben op het programma wat er aan gedaan wordt. Laat ze kiezen wat voor oefeningen in de warming-up te doen, wat voor vorm er in de kern van een les gedaan wordt, bepaal samen met de jeugdatleet de wedstrijdstrategie. Al deze aanpassingen geeft de jeugdleden een gevoel van controle wat belangrijk is voor de zelfwaardering.
N.B. Dit artikel biedt een leidraad voor iedereen die met jeugd van doen heeft. Er worden verschillende visies uit de motivatiepsychologie beschreven. Aan de hand van deze algemene theorieën worden er adviezen gegeven die wellicht van pas kunnen komen bij: Het organiseren van een jeugdwedstrijd, uitschrijven van een jeugdplan of op micro niveau “ Het geven van een training “.
Aanbevolen literatuur:
Dr. F.C. Bakker & Dr H.T.A. Whiting, Sportpsychologie uitgeverij Samson / ISBN 9014030282. W.F. Straub, Sportpsychology, An analysis of athlete behaviour. Ithaca: Mouvement Publication 1978.
|